Wanneer in aanmerking voor cochleair implantaat -Indicatiecriteria (CI)

Wanneer in aanmerking voor cochleair implantaat -Indicatiecriteria (CI)

Wanneer komt iemand in aanmerking voor een cochleair implantaat (CI)? Vaak wordt gedacht dat iemand volledig doof moet zijn of bijna niks meer kan horen, voordat hij of zij in aanmerking komt voor een cochleair implantaat. Dat was vroeger wel zo. Vandaag de dag zijn de zogeheten indicatiecriteria voor een cochleair implantaat een stuk ruimer.

Lees verder
Inhoud tekst

Voor wie is een cochleair implantaat bedoeld?

Om in aanmerking te komen voor een cochleair implantaat was het in het verleden nodig om doof of zeer ernstig slechthorend te zijn. De patiënt moest een flink groot probleem hebben met het verstaan van spraak alvorens een CI te krijgen. Dat moest met wel 50 of 60% achteruit zijn gegaan ten opzichte van het gehoor van iemand met een goed gehoor. Inmiddels is bekend dat ook bij een minder groot probleem met het verstaan er een flinke winst is te boeken met een cochleair implantaat. De criteria zijn de afgelopen decennia dan ook een flink stuk opgeschoven. Hierdoor komen ernstig slechthorenden eerder in aanmerking voor een CI.

Indicatiecriteria cochleair implantaat

Bij een spraakverstaan van rond de 70% aan het beste oor kan een patiënt al in aanmerking komen voor een CI. Dat is dus een verlies van 30% ten opzichte van iemand met een goed gehoor. Iemand met een dergelijk score op een test voor het verstaan van spraak kan met een hoortoestel vaak best nog redelijk functioneren. Vaak gaat het dan wel om patiënten waarvan verwacht wordt dat ze langzamerhand steeds meer in de problemen komen door hun gehoorverlies. De patiënten die aan deze criteria voldoen krijgen niet zomaar een cochleair implantaat. Daar gaan tal van onderzoeken en gesprekken aan vooraf bij een van de cochleair implantaat centra.

Medisch onderzoek

Om te kunnen beoordelen of de patiënt een geschikte kandidaat is voor een cochleair implantaat operatie, voert het ziekenhuis naast audiologisch onderzoek ook medische onderzoeken uit. Daarvoor kan de arts een CT-scan of MRI-scan laten afnemen. Aan de hand van een CT scan (computerized tomography) kan de arts beoordelen of het slakkenhuis een normale vorm heeft. De resultaten van de MRI (magnetic resonance imaging) scan geven op hun beurt aan hoe het zachte weefsel zoals delen van het midden- en binnenoor eruit zien. Op grond van deze gegevens kunnen de artsen bepalen of de operatie succesvol kan zijn.


Een zogeheten fNIRS meting lijkt een goede voorspeller te zijn voor de te behalen resultaten op het spraakverstaan met een cochleair implantaat (CI). Dat blijkt uit de eerste onderzoeksresultaten met deze meting. Een fNIRS meting is een beeldvormingstechniek waarmee onderzoekers met licht (nabij-infrarood) de hersenactiviteit in kaart brengen. Het is net als een EEG- en een ECG-meting (hartfilmpje) een niet belastende meting. De meting kan volgens de Australische onderzoekers unieke informatie bieden over de te behalen resultaten met een cochleair implantaat. Informatie die niet is te verklaren door andere factoren zoals leeftijd en de periode van het doof zijn. De onderzoekers zien in de meting dan ook een goed en makkelijk meetinstrument om het verstaan van spraak bij toekomstige dragers van een cochleair implantaat te kunnen voorspellen. Deze nieuwe methode moet nog nader bekeken worden en het zal nog even duren voordat deze ingezet zal worden in de kliniek (lees meer).


Gesprek psycholoog

De patiënt krijgt ook een gesprek met een psycholoog. De psycholoog beoordeelt of de patiënt voldoende gemotiveerd en in staat is om het intensieve CI-traject in te gaan.

Voor oudere patiënten is het van belang is dat de patiënt mentaal in staat is weer te leren horen met het nieuwe implantaat. Daarvoor vindt vaak een extra consult plaats bij de polikliniek ouderengeneeskunde. Uit onderzoek is gebleken dat bij ouderen die in aanmerking komen voor een cochleair implantaat de snelheid van de cognitieve informatieverwerking een goede voorspeller is voor het succes op het gebied van spraakverstaan met een cochleair implantaat (lees meer).

CI-team beslist

Uiteindelijk beslist het CI-team op grond van de onderzoeksgegevens en andere bevindingen op de patiënt in aanmerking komt voor een cochleair implantaat. Daarbij schat het team ook in of de client nog in staat is te gaan horen met de cochleair implantaten. Daarbij kijken zij dus ook naar leer-mogelijkheden en trainbaarheid.

Bij welke spraakverstaanbaarheidsscore in aanmerking voor CI

In onderstaande figuur is te zien bij welke score voor het verstaan van spraak iemand in aanmerking komt voor een cochleair implantaat. In de figuur daaronder staan de criteria wanneer wordt gekeken naar het toonaudiogram. De spraakaudiometrie is uiteindelijk leidend in de keuze voor het al dan niet plaatsen van een cochleair implantaat. Deze indicatiecriteria zijn in april 2014 bij een symposium van het Leids Universitair Medisch Centrum gepresenteerd.

Maximale spraakverstaanscores <70% (NVA woordenlijst), zoals bijvoorbeeld bij ski slope audiogram. Als de spraakverstaanbaarheidscurve in het oranjegebied valt is het zinvol dat patiënten voor aanvullende audiometrie zich wenden tot een CI team. (Met dank voor de figuur aan het LUMC Leiden).
Toonaudiometrie met verliezen van boven de 80 dB in de hoge tonen. Let wel: de spraakaudiometrie is leidend in de keuze voor cochleaire implantatie. Cochleair implantaten kunnen in deze gevallen verbetering van het verstaan van spraak geven ten opzichte van hoortoestellen

Slechthorenden met een matig gehoorverlies komen niet in aanmerking voor een cochleair implantaat, omdat zij met een regulier hoortoestel voldoende kunnen worden geholpen.

Spraakverstaan in rumoer

De audioloog kijkt met een hoortest of er met een hoortoestel een betere score is te behalen dan zonder hoortoestel. De patiënt krijgt ook verschillende tests om te zien hoe het met het verstaan van spraak gaat. Een van de tests is een spraakverstaan in ruistest. Dit is een belangrijke test om te bekijken of een patiënt voor implantatie in aanmerking komt.

Ski-slope verliezen

Ook bij zogeheten ski-slope verliezen kan een implantaat zinvol zijn, zeker als een hoortoestel daar weinig verbetering bij geeft. Bij ski-slope verliezen neemt het verlies in het audiogram richting de hoge tonen enorm snel toe. Dit terwijl het verlies in de lage tonen gering is. Het verloop van het audiogram heeft in zo’n geval de vorm van een ski helling. In dergelijke gevallen worden de hoge tonen via het cochleair implantaat doorgegeven en de lage tonen via een hoortoestel.

Als beengeleidingsapparaat niet meer voldoet

cochleair impla

Ook voor patiënten met een zogeheten Bone Conduction Devices (BCD’s) zoals de BAHA en Ponto kan een CI uiteindelijk een optie zijn. Een BCD werkt tot zo’n 50 à 60 dB gehoorverlies (beengeleiding). Als er sprake is van progressie van het gehoorverlies en het spraakverstaan van de patiënt achteruitgaat en de BCD niet meer voldoende versterking kan geven, kan deze groep in aanmerking komen voor een CI. Dit ondanks het feit dat deze groep niet voldoet aan de criteria zoals in het (spraak-)audiogram van onderstaande figuur te zien is. Immers deze groep kan geen hoortoestel dragen. Daarom kunnen deze patiënten al bij een gunstiger verloop van het spraakaudiogram in aanmerking komen voor een CI.

Dove en ernstig slechthorende jonge kinderen

Hele jonge kinderen die doof of zeer ernstig slechthorend zijn geboren komen al snel in aanmerking voor een cochleair implantaat. Bij deze groep is het dan van belang dat de implantatie zo snel als mogelijk plaatsvindt. Dit houdt in de praktijk in dat zij tussen het 9 maanden en het vierde levensjaar het implantaat krijgen.

Prelinguaal doof of vroeg doof met verstaanbare spraak

Wanneer iemand doof wordt voordat hij/zij spraak heeft geleerd (zogeheten prelinguaal doof) of vroeg doof is maar wel verstaanbaar spreekt, kan iemand ook kandidaat zijn voor een CI. Het brein heeft dan voldoende spraak en taalontwikkeling gehad om met een CI opnieuw te kunnen leren horen. Hiervoor bestaat een speciale test.

Hoe jonger geïmplanteerd hoe beter

cochleair-implantaat-kinderen-eenzijdige doofheid

Hoe jonger een kind een implantaat krijgt hoe beter het resultaat. Inmiddels is bekend dat het implanteren onder 1,5 jaar een beter resultaat geeft dan op latere leeftijd. Boven de zes jaar is de kans op een matig of een slecht resultaat groot. Een CI operatie is reeds mogelijk onder de leeftijd van zes maanden In Nederland ligt de voorkeur tussen de negen maanden en de leeftijd van een jaar. De risico’s van een narcose zijn dan te overzien. Door meningitis kan de operatie noodgedwongen eerder worden uitgevoerd. Er is geen bovengrens qua leeftijd. Natuurlijk is het wel van belang dat de kans dat de patiënt door de operatie heen komt groot is.

Een cochleair implantaat bij eenzijdige doofheid

Ook voor kinderen met met eenzijdige doofheid biedt een cochleaur implantaat voordelen op het gebied van verstaan en lokaliseren. Dat concluderen onderzoekers in het tijdschrift JAMA Otolaryngology-Head & Neck Surgery. Ze trekken deze conclusies na het doen van een uitgebreid literatuuronderzoek en statistische analyse op bestaande studieresultaten.
Het blijkt dat er zowel audiologisch meetbare voordelen zijn als ook door de patiënt gerapporteerde voordelen. Ook concluderen de onderzoekers dat een kortere periode van doofheid voor implantatie tot betere resultaten kan leiden (lees meer).

Indicatiecriteria voor een cochleair implantaat op een rij

De indicatiecriteria voor evaluatie voor de implantatie van een cochleair implantaat zijn de volgende (LUMC):

  • Communicatienood: ondanks optimale hoortoestelaanpassing
  • Spraakverstaanscores: <70% (NVA woordenlijsten)
  • Geen leeftijdsgrens: zolang er geen redenen zijn om niet te opereren en er voldoende cognitieve vaardigheden zijn om de revalidatie mogelijk te maken
  • Menigitis: spoed in verband met kans op verbening van de cochlea (slakkenhuis)
  • Sociale indicatie: versneld evaluatieprotocol na sudden deafness van het enig horende oor, sociale isolement, baanverlies etc.
  • Prelinguaal: dove volwassenen die niet volledig van gebarentaal afhankelijk zijn maar auditief/oraal communiceren
  • Bilateraal: mogelijk bij kinderen tot en met 17 jaar
  • Bilateraal bij doofblinden volwassenen (volgens richtlijn)

Vergoeding cochleair implantaat – CI

Kinderen onder de 5 jaar krijgen altijd een CI plaatsing aan beide kanten (bilateraal) vergoed. Er is ondertussen ook steeds meer bewijs voor een betere spraaktaal-ontwikkeling bij kinderen met een bilaterale aanpassing ten opzichte van unilateraal (eenzijdig). Ook kinderen tot 18 jaar kunnen bilaterale plaatsing vergoed krijgen. Er moet dan wel tweede CI-team achter de indicatie staan. Het is echter wel zo dat hoe langer de periode is tussen het implanteren van het eerste en tweede CI het resultaat van een tweede implantaat minder goed is. Natuurlijk moet er ook een goede ontwikkeling hebben plaatsgevonden met het eerder geïmplanteerde CI. Volwassenen vanaf 18 jaar krijgen een tweede implantaat niet vergoed. Lees meer over de vergoeding, het eigen risico en eigen kosten van een cochleair implantaat hier.

Cochleair implantaat bij doofblinde volwassenen

Voor doofblinde volwassen is de volgende richtlijn beschikbaar: ‘Richtlijn indicatie bilaterale cochleaire implantatie voor doofblinde volwassenen‘. Deze richtlijn maakt duidelijk wanneer een cochleair implantaat aan beide zijden bij doofblinde volwassenen geplaatst mag worden en ook wordt vergoed.
Iemand wordt als doofblind gezien als hij niet of niet goed hoort én niet goed ziet. Doofblind betekent overigens niet dat iemand volledig doof én ook volledig blind is. Veelal kunnen mensen met doofblindheid nog wel iets horen en/of zien. Het verminderde hoor- en gezichtsvermogen kunnen vanaf de geboorte aanwezig zijn of op latere leeftijd ontstaan.
Meerdere onderzoeken door een in de otologie gespecialiseerde KNO-arts en oogarts zullen uitmaken of aan de criteria van de richtlijn is voldaan.

Resultaten met een cochleair implantaat

Met een cochleair implantaat is spraakverstaan mogelijk zonder mondbeeld (ook wel ‘open set spraakverstaan’ genoemd) en ook telefoneren is voor de meeste postlinguaal dove CI dragers een feit. Postlinguaal doven zijn mensen die doof zijn geworden nadat zij zich gesproken taal eigen hebben gemaakt. Voor de operatie ligt bij deze groep de foneemscore gemiddeld zo tussen de 30 à 35% op standaard NVA woordenlijst met een optimaal hoortoestel, terwijl deze groep daar na één week met een cochleair implantaat al overheen gaat.

Positief effect op eigen spraak en taalontwikkeling bij kinderen

kind met cochleair implantaten

De meeste patiënten halen na twee a drie weken al meer dan 50% score op dezelfde test en daarmee zijn ze reeds in staat te telefoneren. Wanneer iemand zichzelf weer kan horen heeft dit verder ook een positieve invloed op zijn/haar eigen spraak. De patiënt krijgt meer controle over zowel de luidheid als de toonhoogte van spraak. Ook heeft een CI bij kinderen een positief effect op ontwikkeling van taal. Kinderen kunnen als ze zeer jong worden geïmplanteerd een redelijk natuurlijke spraakontwikkeling krijgen, waardoor er minder expliciet geoefend hoeft te worden.