Digitaal Hoortoestel

Het eerste digitale hoortoestel werd geïntroduceerd in de vorige eeuw. Op dat moment bestonden er naast het digitaal hoortoestel ook het analoge hoortoestel.

Bij analoge toestellen werd het geluid dat het toestel bereikte in dezelfde vorm bewerkt als dat het binnenkomt. Bij digitale hoortoestellen wordt het signaal eerst gecodeerd in enen (1) en nullen (0). Vervolgens wordt het bewerkt en daarna wordt er weer een analoog hoorbaar signaal van gemaakt.

De eerste generatie digitale toestellen deden niet veel meer dan digitaal nadoen wat de bestaande analoge toestellen reeds deden. De nieuwe generatie digitale toestellen echter hebben veel meer rekenkracht en zijn in staat geavanceerde berekeningen en bewerkingen uit te voeren. Hiermee kan bijvoorbeeld rondfluiten (feedback) worden voorkomen, lawaai worden onderdrukt, en is gericht horen nog beter mogelijk.

De nieuwste generaties digitale toestellen zullen niet alleen verbetering geven bij het verstaan van spraak, ook bieden zij veel comfort en een zeer natuurlijk geluidsbeeld.
Het geluidsbeeld wat zij bieden komt namelijk beter overeen met de werking van een normaal werkend oor en zal ertoe leiden dat verstaan minder inspanning kost.
Natuurlijk is zowel ieder gehoorverlies verschillend als ook de individuele wensen van slechthorenden. Samen met de audicien kan best mogelijke oplossing worden gezocht.

Inmiddels zijn alle hoortoestellen op de markt digitaal. Het onderscheid tussen hoortoestellen zit hem in de opties die de digitale hoortoestellen hebben en hun kwaliteit.

Soms worden ten onrechte analoge hoortoestellen geassocieerd met lineaire signaalbewerking. In de analoge hoortoestellentijd waren er zowel lineaire toestellen als toestellen met compressie (zowel ter begrenzing van harde geluiden als met snelle syllabische compressie). Soms wordt vandaag de dag nog weleens gezegd dat een hoortoestel analoog werkt terwijl dan bedoelt wordt dat het hoortoestel een lineaire signaalbewerking heeft.

Ook de nieuwste digitale hoortoestellen kunnen lineair worden afgesteld als het gehoorverlies daarom vraagt (denk hierbij aan een geleidingsverlies) of met iets minder compressie bij een gemend verlies.