Spraakaudiogram

Bij het toondrempelaudiogram wordt gekeken naar de gevoeligheid van het oor: bij welke minimale intensiteit kan een geluid met een bepaalde frequentie nog net worden gehoord. Naast dit detecteren (horen) is het eveneens van belang of spraak ook daadwerkelijk verstaan wordt. Om nu na te gaan hoe goed het oor en de hersenen in staat zijn om geluiden te analyseren en om te zetten in betekenisvolle delen, wordt het spraakaudiogram afgenomen. Hiermee wordt gekeken naar hoe goed het oor verschillende klanken van elkaar kan onderscheiden, met andere woorden hoe goed de spraakverstaanvaardigheid is. Dit van elkaar kunnen onderscheiden van klanken wordt ook wel discrimineren genoemd.

Bij het maken van een spraakaudiogram wordt gekeken naar het verband tussen de geluidssterkte waarmee spraak wordt aangeboden en hoe goed spraak wordt verstaan. Voor het maken van een spraakaudiogram kunnen verschillende testmaterialen worden gebruikt. Over het algemeen worden woorden gebruikt met één lettergreep. Voor deze test zijn door wetenschappelijk onderzoekers speciale lijsten samengesteld met 10 of 20 woorden. Deze woordlijsten zijn veelal fonetisch gebalanceerd, wat wil zeggen dat de gebruikte fonemen met dezelfde percentages voorkomen als in de omgangstaal. Deze woorden staan tegenwoordig op een CD. De CD speler staat aangesloten op een audiometer. Hiermee wordt de intensiteit bepaald waarmee de woordjes worden aangeboden. Ook kan desgewenst het oor dat niet getest wordt, worden gemaskeerd.

De cliënt krijgt gedurende de test een hoofdtelefoon op. Via de hoofdtelefoon krijgt hij de lijsten met woordjes aangeboden bij verschillende intensiteitsniveau’s. De cliënt wordt gevraagd de woordjes na te zeggen. Meestal wordt begonnen bij een hoge intensiteit waarbij alle woorden nog te verstaan zijn. Vervolgens wordt de intensiteit met telkens 5 dB verlaagd, totdat de cliënt niets meer verstaat. Het percentage woorden (of klanken) dat goed wordt verstaan bij de diverse intensiteiten wordt genoteerd en uitgezet als functie van de intensiteit. In onderstaande figuur staan de resultaten van een spraakaudiogram voor een goedhorende gemeten met eenlettergrepige woorden ook wel monosyllaben genoemd. Dit wordt gezien als de normaalcurve.

Spraakaudiogram

Bij 10 dB is de score nog 0% en het percentage goedverstane woorden of klanken neemt over een intensiteitsbereik van zo’n 30 dB toe tot 100%. De intensiteit die nodig is om 50% van de woordjes goed te verstaan wordt de drempel voor het verstaan van spraak genoemd. In het Engels heet deze drempel SRT: Speech Receptor Threshold. Wanneer er ander testmateriaal gebruikt wordt heeft dit zijn invloed op de steilheid van de curve. Voor zinnen zal de curve steiler lopen: bij een lagere intensiteit is reeds 100% te verstaan. Door de steilheid van de curve is het 50% punt nauwkeuriger te bepalen en is deze test voor het bepalen van de spraakdrempel beter geschikt. Echter voor het bepalen van het discriminerend vermogen van het oor is de test met de woordjes juist beter. Wanneer de cliënt namelijk maar 40% van de woorden verstaat, kan hij reeds 90% van de zinnen goed verstaan. Dit komt omdat de (fonetische) informatie die in de zin besloten ligt groter is dan direct voor het verstaan ervan nodig is. Losse woorden geven dus een beter inzicht hoe goed het oor in staat is spraakklanken van elkaar te onderscheiden.

In onderstaande figuur zijn een aantal curven weergegeven zoals deze zich kunnen voordoen bij slechthorendheid.

Spraakaudiogram slechthorenden

Wanneer curve I gevonden wordt is het mogelijk dat we te maken hebben met een geleidingsverlies: de curve loopt parallel aan de standaardcurve van een goedhorende. Door de intensiteit van het geluid 20 dB te verhogen, wordt het probleem van een niet goedverlopende geleiding (verzwakking) van het geluid verholpen. Dit geldt over het gehele verloop van de curve. Bij geleidingsverliezen wordt altijd een score van 100% gehaald. Echter het kan ook zijn dat deze curve voorkomt bij een slechthorende met een perceptief verlies. Ook is het mogelijk dat een score van 100% niet gehaald wordt zoals in curve II en III. Hoe hard het geluid ook gemaakt wordt 100% wordt nooit gehaald. Dit doet zich voor bij een groot percentage slechthorenden met een perceptief verlies. Het kan zich zelfs voordoen dat de curve terugloopt wanneer het geluid een bepaalde intensiteit overschrijdt zoals bij curve III. Dit wordt ook wel regressie genoemd. Dit verschijnsel kan echter ook worden veroorzaakt doordat de woorden met een versterker worden aangeboden die geen rekening houdt met het verloop van het gehoorverlies. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld bij een hoogtonig gehoorverlies de geluiden in het laag reeds veel te veel worden versterkt, terwijl in het hoge tonengebied er nog onvoldoende wordt versterkt. Er kan hier een verschijnsel optreden waarbij spraakklanken gemaskeerd worden door de voorafgaande (opwaartse maskering).

In het bovenstaande kwam naar voren dat het verloop van het spraakaudiogram iets kan zeggen of het gehoorverlies wellicht een geleidings- of perceptiefverlies is. Het spraakaudiogram speelt bij het bepalen van dit onderscheid echter een ondergeschikte rol. Wel geeft het spraakaudiogram interessante informatie waarmee een eerste diagnose kan worden gemaakt tussen cochleaire en retro-cochleaire verliezen; verliezen die respectievelijk veroorzaakt worden door een probleem in het slakkenhuis zelf of juist in het gedeelte dat na het slakkenhuis komt. Bij retro-cochleaire slechthorendheid wordt over het algemeen een wel zeer slecht spraakaudiogram gevonden. Wanneer zich regressie voordoet en de score sterker afneemt dan 25% is er over het algemeen sprake van een retro-cochleaire pathologie. Blijft de afname onder de 25% dan kan dit wijzen op een cochleaire component.