Luidheidstest

Met het bepalen van de hoordrempel bij het afnemen van een audiogram is te bepalen bij welk niveau een toontje met een bepaalde frequentie nog net hoorbaar is. Ook kan met toonaudiometrie hiermee worden bepaald wanneer een toon onaangenaam hard wordt. 

Vaak is het handig informatie te hebben over hoe de luidheidsopbouw verloopt tussen de hoordrempel en het niveau dat als onaangenaam hard wordt ervaren. Met andere woorden: wanneer wordt een geluid als zacht, normaal, hard en erg hard ervaren. Deze informatie kan nuttig zijn bij het afstellen van hoortoestellen die gebruik maken van compressie in de vorm van automatische volumeregeling. Dergelijke hoortoestellen maken onderscheid tussen zachte en harde geluiden en versterken vervolgens de zachte geluiden meer ten opzicht van de harde geluiden. 

Bij de afname van een luidheidstest krijgt de persoon die getest wordt een hoofdtelefoon op of een oordopje in dat het geluid doorgeeft. Er worden vervolgens bij verschillende frequenties en intensiteitsniveau’s geluidjes aangeboden.
Telkens wanneer er zich een geluidje heeft voorgedaan wordt de testpersoon gevraagd het geluid te beoordelen in termen van ervaren (subjectieve) luidheid. Ook wanneer hij het toontje niet hoort moet hij dat aangeven. In sommige gevallen geeft de testpersoon dit zelf aan op een kastje waarop knoppen zitten met de beschrijving: ”niet hoorbaar”, ”erg zacht”, ”zacht”, ”normaal”, ”hard” en ”erg hard”. In andere gevallen zegt hij wat hij ervan vindt en wordt dit voor hem ingevoerd in de computer. In onderstaande figuur staat een de curve uitgezet van zoals die te vinden is bij goedhorenden bij een bepaalde frequentie.

luidheidstest goredhorende

Een geluid van 20 dB SPL wordt als ”erg zacht” ervaren, een geluid van zo’n 35 dB SPL als ”zacht”, een geluid van 65 dB als ”normaal” (spraaksterkte) en een geluid van 85 dB als ”hard” en een geluid van 110 a 120 dB SPL zal als ”erg hard” worden ervaren.

Voor goedhorenden is een zelfde curve te vinden bij alle test frequenties: 500 Hz, 1000 Hz, 2000 Hz en 4000 Hz.

Wanneer nu een slechthorende getest wordt zal deze curve er anders uitzien. Natuurlijk voor ieder gehoorverlies anders. In onderstaande figuur is een voorbeeld gegeven van een curve van een slechthorende gemeten bij twee frequenties 500 Hz en 2000 Hz (2 kHz).

luidheidstest slechthorende

Wat in de figuur te zien is, is dat de drempel bij 500 Hz zo rond de 50 dB ligt (snijpunt x-as), maar dat de curve vrij stijl oploopt. Bij de 2 kHz (gele lijn) is dat nog duidelijker te zien. Bij vrij geringe toename in de geluidsintensiteit is een grote stap in subjectieve luidheid te vinden. In een aantal gevallen komt het punt waarop geluiden als hard worden ervaren, verschoven naar links te liggen, zoals ook in deze figuur. Dat betekend dat de slechthorende ook nog eens overgevoelig is voor harde geluiden. De slechthorende wordt aan twee kanten benadeeld: enerzijds raakt hij ongevoelig voor zachte geluiden aan de andere kant raakt hij overgevoelig voor harde geluiden.

Toestellen die gebruik maken van lineaire versterking versterken alle geluiden even hard. Dit terwijl de slechthorende in de meeste gevallen behoefte heeft aan meer versterking van de zachte geluiden en in verhouding minder versterking van de harde geluiden.

De test is om een aantal redenen in onmin geraakt. Allereerst neemt de test nogal veel tijd in beslag en sommige oudere slechthorenden zijn niet altijd even goed in staat zijn de test uit te voeren. Vaak wordt de test alleen uitgevoerd wanneer er zich problemen voordoen die niet zo een, twee, drie op te lossen zijn.
Een andere reden waarom de test niet veel meer gebruikt wordt, is dat onderzoek heeft laten zien dat de “normale” luidheidscurve niet voor een ieder gelijk loopt. Omdat we van een slechthorende niet weten hoe de curve vroeger in zijn normaal horende tijd liep, weten we ook niet hoeveel de zachte en harde geluiden versterkt moeten worden om zijn luidheidservaring ‘normaal’ te laten zijn.